Een Passie Spel
Juffrouw D. verklaarde dat de Memoires van Heer Halewijn van de hand waren van dhr. Orff en dat zij het motief vormden voor de rituele moord.
Juffrouw D. werd door de gerechtelijke instanties
ontoerekeningsvatbaar verklaard en verblijft momenteel in een gesloten psychiatrische inrichting.
Van het hoofd van dhr. Orff ontbreekt tot op heden ieder spoor.
Voorspel: Credo In Unum Deum Omnipotentem

Mijn oudste herinnering in dit leven:
Een zomeravond. Ik ben zeven.
Mijn arme moeder zit bij mijn bed
in het laatste licht van de dag,
al donker en dood.
En de nacht valt
door de ruiten van de stille zolderkamer,
gevat in lood.
En zij zingt. Nee,
zij zucht en hinkt
traag en treurig op gebrekkige rijmen
van een primitieve melopee.
En waarom weerklinkt
het lied van mijn leven -
dit gezang van barbaarse zeden
in geen schoolhandleiding beschreven -
op een melodie uit de Roomse liturgie
waarop ooit het geloof
in één almachtige God werd beleden?
A. Van Hageland:
Misschien was Halewijn een soort van watergeest, die de meisjes in het water lokte.
Wie was Heer Halewijn en wat heeft hij gezongen?
Uit Balladenboek van dr. Tjaard W.R. de Haan, een Prisma-boek:
In verband daarmee meende ik de bizarre hoofdpersoon te moeten 'determineren', waardoor het verzwegene of niet-gewetene
wordt ingevuld en het raadsel zijn raadselachtigheid verliest.
Zo'n van vage geheimzinnigheid ontdane parafrase kan eens te meer doen blijken, dat balladen als Heer Halewijn een onherleidbare waarde bezitten, een eigen stijl, juist door hun fragmentarische karakter.
- De Ballade van Heer Halewijn
- Heer Halewijn zong een liedje klein
en al die dat hoorde wou bij hem zijn.
Dat vernam een koningskind,
die was zo schoon en zo bemind.
Zij ging voor haar vader staan:
'Vader, mag ik naar Halewijn gaan?'
'Nee, dochter! Nee, gij niet!
Die daar gaan, die keren niet!'
Zij zette zich schrijlings op 'n ros,
zingend en klingend reed zij door 't bos.
Toen zij halverwege 't bos mocht zijn:
daar zag zij Heer Halewijn.
'Gegroet,' zei hij, en kwam tot haar.
'Gegroet, schoon maagd, bruin ogen klaar!
Vermits gij de schoonste maagd zijt,
kiest dan uw dood, het is nog tijd!'
'Wel als ik dan mijn dood kiezen zal,
dan kies ik nog voor het zwaard bovenal.
Maar trek eerst uit uw opperkleed,
want maagdenbloed dat spreidt zo breed.'
Maar eer zijn kleed getogen was,
zijn hoofd lag voor zijn voeten ras.
Zij nam het hoofd bij het haar
en waste het in een bron zo klaar.
Toen zij aan haar vaders poorten kwam,
blies zij de hoorn als een man.
Er werd gehouden een banket.
Het hoofd werd op tafel gezet. - May Colven
- False Sir John a wooing came
To a maid of beauty fair;
May Colven was this lady's name,
Her father's only heir.
He went down to her father's bower,
Where all the steeds did stand,
And he's taken one of the best steeds
That was in her father's land.
He's got on and she's got on,
As fast as they could flee,
Until they came to a lonesome part,
A rock by the side of the sea.
"Loup off the steed," says false Sir John,
"Your bridal bed you see;
For I have drowned seven young ladies,
The eighth one you shall be.
"Cast off, cast off, my May Colven,
All and your silken gown,
For it's oer good and oer costly
To rot in the salt sea foam."
"O turn you about, O false Sir John,
And look to the leaf of the tree,
For it never became a gentleman
A naked woman to see."
He turned himself straight round about,
To look to the leaf of the tree,
So swift as May Colven was
To throw him in the sea.
"O help, O help, my May Colven,
O help, or else I'll drown;
I'll take you home to your father's bower,
And set you down safe and sound."
"No help, no help, O false Sir John,
No help, nor pity thee;
Tho' seven kings' daughters you have drownd,
But the eighth shall not be me."
A. Van Hageland in een Woord Vooraf bij "Légendes Flamandes" (Charles De Coster)
Ser Halewyn is in Vlaanderen ontstaan en de sage ging vandaar naar Frankrijk. Misschien heeft Charles de Coster het thema gevonden in het werk van J.F. Willems: Oude Vlaamsche Liederen, verschenen te Gent in 1848, waarin inderdaad de ballade van 'Here Halewine' voorkomt.
In ieder geval schreef De Coster in een van zijn Brieven aan Elisa:
'Het is een onuitgegeven verhaal en berust op een Vlaamse volksballade.' - In werkelijkheid is het oorspronkelijke vers een anoniem lied uit de 14de eeuw.
Deel 1

EN WAT ZINGT HEER HALEWIJN?
DAT WIJ HEIDENEN ZIJN.
Dat wij door Zwarte Wouden zouden ijlen,
door Verwoeste Gewesten en woestijnen
en over Zeven Zeeën zeilen
om eindelijk aan de einder te verschijnen.
Herinner mij, zingt hij:
ik ben die antieke held.
Ik drijf jou met zinnelijk geweld
je lijf uit en buiten zinnen.
En dan weet je 't weer: jij
bent het wild dat levend wordt gevild,
benen gespreid, dijen gebenedijd
met het zaad dat niet vergaat.
En dat je mijn gravin bent geweest.
En hoe diep mijn geile gebeden
hebben gegraven in de geheime gang
van je schede.
En hoe wij ons wederzijds geraamte
hebben betast, ontlast
van schuld en schaamte.
En dat jij, blanke slavin, mij smeekte:
'Sla mij in je slavernij
en ransel mij in razernij
naakt tot op het bot
als een vertoornde god.'
Wat zingt hij?
'Herinner mij.'
SNEEUWWITJE IN HET ZWARTE WOUD
En jij bent zo vreemd als een vrouw
die uit het graf is opgestaan
en op zoek gegaan
naar andere doden.
Jij bent mooi als de maan
die als een maagd zo kuis is en koud
als de ene godin die zich nooit
aan een man heeft gegeven.
Jij bent het bleekste blaadje
van de ene blanke bloem
in mijn Zwarte Woud:
zo wit als sneeuw
die niet dooit.
SALOME
Daarom sloot een vader je op
in zijn slot bij de zee
en noemde jou zijn kleine Salomé -
maar jij zult niet dansen in het zand.
Jij mag niet spelen op het strand,
want niet ver daar vandaan
kun je voorbij de horizon zien
hoe de wereld is ontstaan.
En al zei mijn moeder ooit: 'Staar
niet zo naar de maan!
Er dreigt gevaar!' - Daar
zing ik mijn lied.
IJSTIJD
Want er was eens een winter
die niet wilde gaan
en zo kon de lente niet komen.
Het ijs bleef op het water staan
en er kwamen geen bladeren
aan de bomen.
Een grijsaard sprak:
'Dit land raakt nooit ontdooid
als wij niet het voorbeeld geven.
Alleen wat sterft, kan herleven!'
En hij koos voor de sterkste jongeman
zeven mooie maagden uit.
Het ijs kleurde rood van hun bloed.
De achtste werd mijn bruid.
Ik beminde haar maandenlang.
Toen rolde mijn hoofd in de sneeuw
en werd ik in jou herboren.
En de lente kwam.
En zo gaat dat
nu al eeuw na eeuw
na eeuw.
TOT U SPREEKT DIONYSOS:
In den beginne, zegt men,
was ik niet meer dan een woord,
door een god gesproken,
door de aarde gebaard.
Als een woesteling werd ik
uit de schoot geschoten
waarin een handige bliksem
mij had verwekt.
In het dijbeen van een reus
werd ik bewaard,
tot de dag
waarop de zon mij zag
en ruw op een muur wierp
als de schaduw van een dier,
bijvoorbeeld een stier.
Men zegt dat ik altijd een Beest ben geweest.
EN ALZO SPREEKT OSIRIS:
Men zegt dat ik ooit koning
van het oosten was:
overvloedig waren de oogsten
in mijn land van melk en honing.
Die laatste Zondag maakte mijn broeder
een kist voor mij en zei:
'Ziehier een geschenk voor de gast,
die ze het beste past!'
En hij liet mij te water
in het schip van de dood, in een boot
zonder zeil.
Vele jaren later
werd ik door mijn gade
gevonden op het strand.
Toen hakte mijn broeder mij
aan stukken en strooide mijn ledematen
over het land.
Zij verzamelde haar echtgenoot
in haar schoot.
Alleen zijn roede vond ze niet.
Ze zong een lied,
ik kwam even weer tot leven
en stootte mijn broeder
van mijn troon
(en mijn roede verwekte
een zoon).
Toen trok ik mij voorgoed terug
in mijn dodenrijk.
Daar draag ik nu de kroon
van Heer van het Westen.
ORFEUS HEEFT HET LAATSTE WOORD:
Ik had je zo lief als het leven.
Toen je dood moest gaan,
heb ik gezongen
dat je weer op zou staan.
Ik heb gebeden
tot een stem me zei: 'Kom
en kijk niet achterom!
Ze woont hier beneden.'
Ik geloofde het niet.
Jarenlang zong ik mijn lied
voor de dieren in het woud.
Ook zij kregen het koud.
Op een blauwe Maandag
vroegen vrouwen mij: 'Waarom?'
Toen ik niet antwoorden kon,
hakten ze zijn hoofd af
en zweeg mijn tong.
Ik heb niet lang geleden,
want deze keer
keek ik niet achterom
en vond jou hier beneden.
A. Van Hageland:
Uit de aanhef blijkt duidelijk,
dat de sinistere figuur een magische betekenis heeft: hij lokte de vrouwen door een toverzang.
Toch kwam G. J. Geers in het tijdschrift Volkskunde (1921) tot het besluit, dat het oude lied slechts een soort van Blauwbaardgeschiedenis zou zijn.
A. Van Hageland vervolgt:
Tegen die opvatting verzette zich prof. dr. J. de Vries in hetzelfde tijdschrift (1922)omdat hij, op grond van een vergelijkende studie, tot de overtuiging was gekomen, dat Halewijn een demonisch wezen was.
Eerste Interludium
- Isabel Danst
- En Isabel danst heel graag zo traag...
En Isabel danst heel erg graag zo zeer traag...
En Isabel danst héél erg traag...
En Isabel danst zo graag.
En Isabel danst heel snel en het vel
van Isabel glanst zo fel en stel
dat zij de Duivel kreeg als gezel
dan danste ze hem naar de hel!
Isabel danst en wie danst aan haar zij?
Een jongeman in zeer zwarte kledij.
'Mag ik van jou een laatste wals?'
Zijn stem klinkt tamelijk vals.
Met ogen zo koud als de maan
kijkt hij Isabel dwingend aan.
Zij kennen geen vreugde, verdriet -
een hart bezit hij niet.
Hij neemt Isabel bij de hand,
hij danst zo galant en charmant,
uit de vloer slaan vlammen op.
Isabel roept: 'Stop!'
Maar de Duivel danst heel graag zo traag...
Ja de Duivel danst heel erg graag zo zeer traag...
Ah de Duivel danst héél erg traag...
De Duivel danst zo graag.
En de Duivel danst met Isabel.
'Liefje, ik dans met jou naar de hel!
Een muur van vuur in ons spoor...
Kom wij dansen daar nu door!'
En de Duivel danst met Isabel,
en zijn vel glanst fel en Isabel
danst met de Duivel als gezel,
danst met hem naar de hel!
A. Van Hageland:
Halewijn zou kunnen aanleunen bij de sombere figuur van de vampier.
Hij gebruikt immers het bloed van zijn maagdelijke slachtoffers. Net als de klassieke vampierfiguur geeft dit bloed hem nieuwe levenskracht. Hij heeft het bloed gewoon nodig, om te blijven bestaan en als de 'levenskracht' een tijdje ontbreekt, raakt hij in verval. Reeds ongeveer 900 jaar geleden vinden wij dat bijgeloof vermeld in de Kanones van Burchard von Worms.
Deel 2

SLECHTE SLAPERS
Wij oude goden zijn dol op bloed.
Slacht zeven maagden vannacht
en wij eisen er acht.
Offer zeven maal zeven mannen,
nooit zullen wij zeggen:
'Dit voldoet.'
Want geloven zij in ons, dan leven wij.
En jij denkt dan wel dat we dood zijn:
'Men schenkt nu toch wijn
in plaats van bloed?'
Maar het is slechts schijn.
Wij slapen
niet eens zo diep.
Noem ons bij de naam, kus onze rode mond
en wij ontwaken.
ZONNEGOD & MAANGODIN
Dit is geen liefde. Dit is meer
iets als het lot van een Zonnegod
of een Maangodin.
Zij kunnen niet samen zijn.
Zij moeten ondergaan
om op te staan
uit het lichaam dat een graf is
in dit leven dat een straf is.
Heer Halewijn zingt iedere ochtend weer
en Salomé danst keer op keer
in het avondrood.
En jij kunt nog niet vermoeden
wie hier straks moet bloeden.
HOC EST CORPUS MEUM
Dit kan geen liefde zijn,
zoals dit leven
ook geen leven is en de dood
niet doodt.
Dit is te wreed.
Ik voed mij met jouw bloed
als was het wijn.
Jij lijft mij in als een spin,
breekt mijn lichaam als een brood.
En eet.
DE SCHONE EN HET BEEST
Kroon dan, mijn Schone,
als verdoofd het hoofd
met een krans van bloemen in bloei
en bloei als een bloem.
Je lieve lijf viert feest.
Je huid van hinde heb je versierd
met linten zonder meer
ter ere van het Beest.
Bij de oeroude linde
zal ik drinken
van jouw bloedrode wijn,
zul jij klinken
op de vreugde van mijn vlees.
En onder mijn hand zal je land
weer overstromen van melk en honing,
want de duizend wilde wijven
in dat ene vel van gazel
willen niets liever dan de liefde bedrijven
met hun Zonnekoning.
Voor korte tijd zij aan zij
hossen door de bossen
als veulens in de wei.
ENCHANTÉ
Als betoverd ben je, veroverd
door een incantatio, een enchantement,
het magisch geweld van de stem
op de wind die waait
uit de zee.
En je danst in het zand,
speelt op het strand
en de wind die draait,
neemt je mee.
Je hebt nog geen idee
van de crash
die je harde schijf heeft gewist,
dat je geheugen wordt vermist.
Stel ik mij voor als Heer Halewijn,
dan antwoord je beleefd:
'Enchanté.'
EN IK ZAL...
En ik zal je zanger zijn.
Ik schrijf je neer, je lijf
en meer en zet je bij
in dit liedboek van mij.
Ik zal je dichter zijn.
Ik zal je een eeuwig leven geven
en wij zullen altijd samen blijven
schrijven aan ons verhaal
van donker en licht
in een eindeloos gedicht.
Uit 'Reuzen en geuzen van Vlaanderen' door Frédérick Tristan:
'Dat is in overeenstemming met de meest elementaire symboliek, welke de heldenrol van de man in het teken van de zon plaatst, en die van de vrouw in het teken van de maan. Er is in weinig mythische systemen zo'n evenwicht als in dit geval.' - Mircea Eliade (Mythes, rêves et mystères) herinnert er terecht aan, dat de maan, die verbonden is met de vrouwelijke inwijding, ten grondslag ligt aan het ritueel aanleren van weven en spinnen.
Het Lied van de Zwarte Weduwe
- Veuve Noire
- Aan haar voeten woont hij.
Hoog op de heuvel troont zij,
waar de zon van goud is.
Van de liefde leeft zij.
Met haar haren weeft zij
een web dat eeuwen oud is.
Bij het vuur dat koud is,
hoort zij zijn lied en luistert:
is het haar naam die hij fluistert?
En hij vergeet wat fout is
en wat zij ook mag spinnen,
hij kan alleen beminnen
in 't stralend avondrood,
zijn liefste totterdood.
Uit 'Mythes, rêves et mystères' van Mircea Eliade:
De maan spint de tijd, zij weeft het menselijk bestaan, en de godinnen van het lot zijn spinsters. Enerzijds schepping of herschepping van de wereld, het spinnen van de tijd of van het lot; anderzijds nachtwerk, vrouwenwerk dat men ver van het zonlicht en in het geheim moet uitvoeren, bijna stiekem; men kan wel vermoeden, welk een occulte verbondenheid er bestaat
tussen deze twee domeinen van mystieke werkelijkheid.
Memoires van Heer Halewijn in boekvorm bij Lulu
Uit 'Reuzen en geuzen van Vlaanderen' door Frédérick Tristan:
Het verhaal heeft als het ware een code-taal en wordt op twee niveaus begrepen: enerzijds wordt het op het niveau van de anekdote beluisterd met de oren van de dag die zich zeker en scherpzinnig wanen, anderzijds op het niveau van de verborgen zin
met de oren van de nacht, die gevoelig zijn voor toespelingen en analogieën.
Great Stuff on Amazon
Bruges-la-Morte
Wijze grijze mensen waarschuwden haar
dat zij op haar qui-vive moest zijn
in een stad als Bruges-la-Morte.
Want alleen de doden komen daar
tot leven in de lome avonduren
als de grauwe huizen slapen
en langs hun gevels schimmen sluipen
van vervlogen eeuwen.
Wie goed luistert,
hoort achter een luik nog
een stem die fluistert
uit een voltooid verleden tijd.
EntrActe

EERSTE ANECDOTE VAN DÉSIRÉE D.:
Eén van die talloze tijdloze koetsen, die ter beschikking worden gesteld van de toeristen, stopte voor mij. De koetsier, een oud en vriendelijk heerschap, bood mij een gratis ritje aan.
Hij zei dat ik Een Kleine Nachtmuziek kon beluisteren in een huis aan de Spiegelrei, en bracht me daarheen. Hij toonde mij de woning in de Spanjaardstraat, waar een Spaans soldaat al enkele eeuwen lang de dageraad oproept, en hij debiteerde ook een leuk satanisch versje over Karel Van de Woestijne.
'Meneer,' zei ik ten slotte, 'u die dag en nacht door deze stad rijdt... U hebt hier wellicht al veel vreemde dingen gezien? De spoken van Brugge, meneer... Zijn zij echt? Of bestaan zij alleen maar in onze verbeelding?'
'Och, maatje, 'glimlachte de koetsier. 'Ik rij nu al meer dan vijfhonderd jaar rond in deze dooie stad en geloof me vrij: nog nooit heb ik hier een spookverschijning gezien!'
Hij liet me achter bij een kraakpand. Hier verbleef een straatzanger, zo zei hij, die beweerde een soort reïncarnatie te zijn van een middeleeuwse roofridder. Deze Allowin zou ook model hebben gestaan voor literaire personages als Blauwbaard en - vanzelfsprekend - Heer Halewijn.
EEN KLEINE NACHTMUZIEK
De klok slaat het uur van middernacht.
In een web van wit licht staat
een piano.
Een stoeltje houdt de wacht.
Daar klinkt al het allegro
van een Kleine Nachtmuziek
en nu gaat ook het rondo
door de verlaten straat.
Een pianist zie je niet,
maar de toetsen gaan op en neer
en een dame
danst uit de gracht,
alleen gekleed in haar juwelen
en fluwelen nevel.
Daar is haar heer
en zo dansen zij samen,
keer op keer
door de verlaten straat.
En de klok slaat
het uur van middernacht.
En zij springen in de gracht.
TWEEDE ANECDOTE VAN DÉSIRÉE D.
De koetsier toonde mij een plattegrond van het middeleeuwse Brugge, die inderdaad weinig of geen verschillen vertoont met een stadsplan uit deze eeuw. Nog steeds bezit de stad de labyrintische vorm van een horlogeveer: 'Een onoverzichtelijke spiraal die zich niet stoort aan de wetten van tijd en ruimte en waardoor de argeloze toerist, niet voorzien van kaart of kompas, voortdurend op zijn of haar vertrekpunt terugkeert. Misleid wordt hij of zij, door de middeleeuwse architecten en de urbanisten die deze stad verloren hebben gelegd in hun zwartmagische kringen en slingeringen!'
LATERNA MAGICA IN CAMERA OBSCURA
In het licht
van mijn toverlantaarn dat schrijnt
en schijnt in mijn donkere kamer
vind ik nog op de tast
je gezicht.
Ik leg je vast
op mijn gevoelige plaat - jij,
dit negatief van mij -
en wij worden vluchtig, als een dief
voortvluchtig: jij,
dit spiegelbeeld van mij,
verdwijnt in een vouw
van water dat rimpelt
in de wind.
'Kijk dan, die meneer
is een mevrouw,
is er al niet meer!'
Uit 'Ariane et Barbe-Bleue' van Maurice Maeterlinck
VOIX DE LA FOULE:
Elle était triste mais elle souriait.
On dirait qu'elle aime tout le monde.
On n'en a jamais vu d'aussi belle.
D'où vient-elle?
De très loin, pour qu'elle ne sache point ce qui l'attend ici.
TOUS ENSEMBLE:
N'allez pas plus avant!
N'entrez pas au château!
N'entrez pas c'est la mort!
Joris-Karl Huysmans:
Bruges, à la fois mystique et démoniaque, puérile et grave...
Mystique par sa réelle piété, par ses musées uniques au point de vue de l'art, par ses nombreux couvents et par son béguinage; démoniaque par sa confrérie secrète de possédés.
La flore des sorcières pousse sur certaines petites places et sur les édifices scelerés du Moyen Age où les messes noires se célèbrent dans les réunions sacrilèges de jeunes gens.
Uit 'Ariane et Barbe-Bleue' van Maurice Maeterlinck:
VOIX DE LA FOULE:
Pourquoi est-elle venue?
On m'a dit qu'elle avait son idée.
Il n'aura pas celle-ci.
Non, non, elle est trop belle.
Il a peur.
Il n'aura pas celle-ci.
Il est fou!
Hou! Hou!

Karel Van De Woestijne
Uit: Heer Halewijn
Luisterliederen uit de middeleeuwen bijeengelezen en ingeleid door Norbert de Paepe':
Op zichzelf is wat verteld wordt, boeiend genoeg maar wat destijds het meest boeiende moet zijn geweest, houdt ongetwijfeld verband met de interessante uitdagingen die het lied betekende aan het muzikaal-interpreterende
en het dramatisch-mimerende talent van de zanger.
Niet minder dan zeven (en als het afgehouwen hoofd een bijkomende rol krijgt, acht) personages mogen worden vóórgespeeld.
- Bezeten Blues
- Blauwbaards Lied.
Bluebeard on CafePress
Deel 3

BLAUWBAARD
Na een korte reis
sta je je dan in 't paradijs
voor een prins op een vuilwit paard.
Overdag slaapt hij, bij nacht gaat hij
op jacht in het Zwarte Woud: een stuk verdriet
dat zich voedt met maagdenbloed.
Tenminste, dat wordt beweerd,
maar jij gelooft het niet.
En dat zijn baard zo blauw is
en zijn hand een klauw is -
je ziet het niet.
Je bent vereerd
dat jij - lichtschuw wezen --
mag schuilen in de schaduw
van de Heer der Verwoeste Gewesten.
Hij bond zijn paard aan een boom,
de jonkvrouw was vol angst en schroom.
IS ER DAN MEER?
Ik zeg je - en mijn stem
is zo zacht als de nacht:
'In dit pand van mij
is nog een kamer vrij.'
Ik leg je een hand op het hoofd.
De andere - de klauw -
stop ik weg in mijn vacht.
En wat heb jij in godsnaam te verliezen
aan een vriendelijke ouwe heer
met een baard zo blauw
en een stem zo zacht
als de nacht?
Je jeugd? Je deugd? Je eer?
VAGINA DENTATA
Ik naak haar ongenaakbaar naakt
en zij - historische hysterica,
tandeloze bandeloze tante krijt:
'Vrij met mij!
Wrijf je lijf in mij!
Er is nog tijd!'
Ik splijt
de spleet van die leproze roos
en de ouwe doos
bijt.
En ik ben mijn kop kwijt.
(Donnerwetter!
Et Scheisse aussi!
Maintenant c'est fini
la comédie!)
TWEEDE INTERLUDIUM: EEN SCHOTS SPROOKJE
Op de ochtend van een eerste mei zat Isabel de Schone alleen in haar slaapvertrek te borduren. In de verte schalde over de heuvels een elfenhoorn. Het geluid trilde in de lucht en de maagd liet haar naald rusten. In een visioen zag ze een stralend kasteel en stille meren en een elfenridder, op een trots ros gezeten.
'Als deze ridder mijn bed mocht delen,' fluisterde Isabel... en verder kwam ze niet. Want het is onverstandig een wens te doen wanneer het geluid uit de andere wereld nog niet is weggestorven.
Voor ze haar naald weer had opgeheven, verscheen er als uit het niets een ruiter met een prinselijk voorkomen op de binnenplaats. Hij voerde een fraai damespaard aan de leidsels mee. Hij glimlachte haar toe en sprak: 'Isabel de Schone, gij hebt mij geroepen en dus kom ik u halen. Rijd nu met mij naar het Zwarte Woud.' En het damespaardje schudde het hoofd, waarop de belletjes aan het tuig vrolijk rinkelden.
Naald en borduurzijde gleden op de grond. Isabel snelde naar de binnenplaats en zonder een woord te zeggen, besteeg ze het paardje, waarna ze samen met de ruiter de kasteelpoort uit galoppeerde. Terwijl ze over de heuvels reden, wisselden ze geen woord. Maar in het Zwarte Woud hield de ruiter zijn paard in en nam hij de teugels van haar over.
'Isabel,' zei hij. 'Stijg af, want we hebben de plek bereikt waar gij zult sterven.' Ze staarde hem aan en zag twee ogen zo kalm als vijvers in de bergen.
Met zachte stem vervolgde hij: 'Op deze plek heb ik zeven koningsdochters gedood. Gij zult de achtste zijn.'
Isabel gleed uit haar zadel. Hij sprong naast haar op de grond en gaf de paarden een klap op de flanken, waarna ze dieper het woud in draafden.
Isabel glimlachte. Ze streelde de elfenridder over zijn mouw en verzocht hem zich naast haar neer te vleien, opdat ze nog wat zou kunnen rusten voor ze stierf. Hij deed wat ze vroeg en Isabel zat in het gras en hield zijn hoofd in haar schoot. Ze streelde zijn haar. In gedachten sprak ze een toverspreuk uit die ze van haar moeder had geleerd om iemand in slaap te brengen, en prompt werd de elfenridder door slaap overmand.
Isabel doorboorde zijn hart met zijn eigen dolk. De elf bleef volkomen roerloos liggen en uitte geen enkel geluid, terwijl de bloedvlek op zijn borst alsmaar groter werd en het licht in zijn heldere ogen langzaam troebel werd en ten slotte helemaal doofde.
'Als u hier zeven koningsdochters hebt gedood,' sprak Isabel ten slotte, 'rust hier dan als hun echtgenoot.' En ze stond op, keerde de dode elf de rug toe en begon aan de lange wandeling naar huis.
DÉMASQUÉ
Zijn vel gloeit
als de zon die twee kokende
rokende kolen in zijn gezicht
heeft geschroeid.
En niets is zo hard
en zo zwart
als de pijn
in de ogen van Heer Halewijn.
Kwartsiet niet,
of de stilte van de woestijn
bij nacht.
Maar zijn mond is zo zacht
als een open wonde,
als een zoete zonde
en roder dan de rode wijn
die het bloed doet vergeten
dat werd vergoten
voor de oude goden.
Hij wil haar alles geven:
lieve hofdames, wel zeven.
Geeft zij hem dan alleen
haar leven?
BLAUWBAARDS KLACHT
'Zie ze zweven
in de maneschijn!
Zul jij de achtste zijn?
Zie ze waaien
in de wind en zwaaien
met hun rokken
en dansen - stijf
als stokken!
En op mijn eenzaam eiland
in de grijze zee
danst nog niemand
met ze mee!'
DERDE INTERLUDIUM: LIEDJE VOOR DE DAGERAAD
In de straat staat een Spaans soldaat.
In 's lands belang
roept hij naar de maan -
al eeuwenlang.
Want in zijn rijk gaat de zon niet onder.
Bliksem en donder:
zij blijft stevig staan.
In Spanje
is de zon oranje
en kan zij niet ondergaan.
Daarom roept hij naar de maan:
'Ga nu weg, maan! Ga hier ver vandaan!
Sta nu op, zon! Wees niet bang!
Ga nu weg, maan! In 's lands belang!
Sta nu op, zon! Kraai nu, haan!
Ga nu weg, maan! Kom nu, dageraad!
Breek nu aan! Weg met de maan!
Sta nu op, zon! Sta nu op in deze straat!
Sta nu op! 't Is nog niet te laat!'
In de straat stond een Spaans soldaat.
Een Moeder Spreekt:
Salomé danst en staar
haar niet aan:
er dreigt gevaar
als je kijkt naar de maan.
Het is een hysterische vrouw
op zoek naar een minnaar.
Ze is te bloot.
Wolken bedekken haar,
maar ze scheurt haar kleren
als was ze in rouw
en je bent nog niet dood.
Laat haar je mond niet kussen.
Laat haar het vuur niet blussen.
En de wind waait
en een zwaard zwaait
en jij legt mijn hoofd in je schoot
maar uit mijn romp springen
nog tongen die zingen.
Deel 4

Uit REUZEN EN GEUZEN VAN VLAANDEREN (Frédérick Tristan):
Het is opmerkelijk dat in Bollezeele, niet ver van Duinkerken, het gebruik wil dat tijdens de processie van de Visitatie, de dansers met zwaarden zwaaien onder tromgeroffel en schril fluitspel, waarna men het hoofd afhakt van een pop die Johannes de Doper voorstelt. Sommigen hebben gemeend dat het een handeling was ter nagedachtenis aan de doodvonnissen die door de hertog van Alva zijn verordend ten tijde van de strijd tegen de Geuzen. Maar als we 'de gordel van Bollezeele' goed bekijken - een ketting die de legende toedicht aan Isabella, prinses van Spanje, die het aan de Maria van het dorp zou hebben geschonken - zien wij dat het sieraad dat aan die ketting hangt een stralende vrouw is die op een maansikkel in de vorm van een bootje zit.
O GOD O GOD O GOD
MET UW KOP OP HAAR SCHAVOT
Uit WOORD VOORAF (A. Van Hageland
bij zijn bewerking van Heer Halewijn in Légendes Flamandes van Charles De Coster):
In een door Saxo Grammaticus opgetekende sage over de tovenaar Mithotin uit de laatste periode van het Deense heidendom speelt de vampier eveneens een rol. In verband met de sage van Heer Halewijn lijkt het betekenisvol, dat de onthoofding vroeger als een probaat middel werd beschouwd om de vampier onschadelijk te maken. Belangrijk schijnt ons ook, dat het hoofd nog om een tegenmiddel smeekt.
EN HET ZWAARD ZWAAIT
EN DE WIND WAAIT
MIJN LEDEMATEN DOOR HET WOUD
EN UIT MIJN ROMP DIE KLOMP
VERSTEEND VERDRIET
WEERKLINKT NOG STEEDS EEN LIED
Het orfisme stelde dat de mens een immateriële, onsterfelijke ziel bezat, gevangen in een materieel lichaam - een betreurenswaardige situatie, ontstaan door een oeroude zondeval. De enige ware bestemming van de ziel lag in een terugkeer naar de goddelijke oorsprong, die pas bereikt kon worden indien de ziel zich bewust werd van haar ware natuur. Deze bewustwording kon slechts verkregen worden door een strakke discipline, erop gericht de ziel los te maken uit haar gevangenis, de materiële wereld. Een bekend orfisch gezegde luidde dan ook: 'Het lichaam, een tombe.'
Vanaf de zesde eeuw voor Christus ontwikkelden de orfische mystici een doctrine waarin een positieve visie gegeven werd op de onsterfelijkheid. Het rijk van de dood werd niet langer bewoond door beklagenswaardige schimmen, integendeel: de Elyzeese velden waren vervuld van een heldere schittering, omdat zij een rustplaats vormden voor de pure geesten, die het genot mochten smaken van een eeuwig geluk. De doden werden niet meer omlaag gesleurd, een duistere onderwereld in, maar stegen omhoog, de ogen ten hemel gericht.
HIJ HAD M IN MIJN OVEN GESCHOVEN
NU MOEST IE DRAAN GELOVEN
HEER HALEWIJN GEHEEL DE UWE
IS DE ZWARTE WEDUWE
HET HELS MASJIEN
BETER BEKEND ALS DE GUILLOTIEN
De breuk van het orfisme met de oudere godsdiensten werd onder meer veroorzaakt door de nieuwe betekenis die de mysteriecultus aan 'het offer' gaf. Waar het er voordien haast uitsluitend om te doen was een hongerige of toornige god te voeden om bij hem in het gevlij te komen, ging het nu veeleer om het herstel van het goddelijke door de godheid zelf, die zich aan de dood had overgegeven. Het enige doel van die overgave was, van binnenuit de dood uit te hollen en ten slotte te doden. Zo zorgden de goden van het orfisme voor de onsterfelijkheid van zij die in hen geloofden, op voorwaarde dat zij tijdens hun leven de rituele dood aanvaardden en er wezenlijk de zin van begrepen.
Een tweede breuk van de mysterieculten met het bekende pantheon lag besloten in het feit dat zij een credo bezaten in de christelijke zin van het woord. Zij geloofden dat er bepaalde mysteriën bestonden, die slechts geopenbaard konden worden aan degenen die door speciale ceremoniën ingewijd waren in een intieme kring van aanbidders. De ingewijden vormden een gesloten, bijna geheime gemeenschap.
Tussen de ijzige dood van de Scandinavische goden en de zegevierende dood van Jezus stond het orfische geloof in Apollo-Dionysus, een heiland in duisternis of licht gehuld, naargelang hij afdaalde in het dodenrijk of uit zijn eigen graf herrees. Tijdens de vierhonderd jaar durende Romeinse overheersing namen de Galliërs uit het noorden schijnbaar zonder al te veel strubbelingen de beschaving en de zeden van hun overwinnaars over. De autochtone kunst ontleende zelfs heel wat van haar thema's aan Rome. Toen het christendom de Romeinse goden had onttroond, slaagde het er niet meteen in de bijzondere cultusvormen te doen verdwijnen. Later vindt men deze praktisch ongewijzigd terug bij bepaalde broederschappen, die met zorg aan het oog onttrokken worden. Zeven eeuwen waren er nodig geweest om dit volk te kerstenen en tot in de twintigste eeuw zal het christelijke geloof vermengd blijven met overtuigingen die men niet al te haastig als bijgeloof moet bestempelen.
Heidense praktijken werden overigens niet alleen verboden, soms werden ze doodgewoon geannexeerd. In bepaalde gevallen werden nog levende oude of andere godheden als het ware 'geperverteerd' in een van de talloze nieuwe duivels en demonen.
Dr. Tjaard de Haan ziet in de figuur van Halewijn een archaïsche zanger, die lokkende toverliederen celebreert, een demonische gestalte 'die de bezweringsformule van de kunst hanteert om een tijdelijke bevrediging te verwerven - een dolgedraaide don Juan die zijn eigen ondergang oproept.'
Vrouwen storten zich willoos aan zijn voeten neer, om na een korte maar ongemeen heftige climax gedood te worden. Het meisje, hoe minnedriftig ook, is vrijwel normaal.
ZIJ NEEMT MIJN HOOFD BIJ HET HAAR
EN WAST HET IN EEN BRON EN DAAR
ZIET ZIJ IN HET EERSTE OCHTENDROOD
EEN OUDE VROUW MET IN HAAR SCHOOT
HAAR LIEFSTE ECHTGENOOT
De sage heeft, in verschillende vormen, een lang leven gekend. Zo werd bijvoorbeeld, na een tussenperiode van 33 jaar, in 1947 Het Lied van Heer Halewijn van Albert Dupuis nog opnieuw opgevoerd in de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen. Die versie is uitgegroeid tot een nog dramatischer geschiedenis, want de maagd, na Halewijn te hebben onthoofd, wordt door zijn geest achtervolgd, tot beiden in de dood verenigd zijn.
EN HAAR ROMP IS EEN KLOMP
VERSTEEND VERDRIET
EN ZIJ HOORT NOG STEEDS ZIJN LIED
Het hoofd van Cuchulain, de held die in Ierland wordt bezongen, wijst het hart van het land aan, Tara. Het hoofd van Brân wordt in Londen begraven. Sint Dionysius zal zijn hoofd begraven zien in het godsdienstige centrum van het volk der Parisii. Wanneer de Keltische en de joodse overleveringen elkaar in versluierde vorm weervinden binnen het middeleeuwse christendom, verschijnen voortaan de afgehakte hoofden op de kapitelen van de kathedralen en de kloostertuinen, waarvan Johannes de Doper, met zijn hoofd op een schaal, het beroemdste voorbeeld is.
BLAUWBAARDJE HIJ IS GEVANGEN
BLAUWBAARDJE GIJ MOET NU HANGEN
GIJ JAAGT HET HELE LAND OP STANG
DIT WORDT UW ZWANENZANG
HANG BLAUWBAARDJE HANG
WAT DOEN WE MET DIE DON JUAN
IN HET STAATSBELANG
HANG BLAUWBAARDJE HANG
In Belgisch Gallië werd niet zo lang geleden een aantal massagraven gevonden met daarin de stoffelijke resten van mannen, in de kracht van hun leven onthoofd. De Kelten verzamelden mannenhoofden en vrouwenborsten die aan de vijand toebehoorden. Het was hen opgevallen dat het leven werd doorgegeven door middel van een warme, kleverige substantie en behalve in het hoofd - waar de hersenen zaten - wisten ze niet zo dadelijk een bergplaats aan te duiden voor het slijmerige, opaalkleurige goedje. Op die wijze kwamen ze tot de conclusie dat het hoofd een levenskracht bevatte die door geslachtelijk verkeer kon worden doorgegeven, waarbij de leven brengende druppels zich via het ruggemerg van het hoofd naar het geslachtsorgaan verplaatsten. Als men het hoofd van een vijand veroverde, was het derhalve logisch dat de overwinnaar dank zij bepaalde riten in het bezit kon komen van een gedeelte van die levensresten. Vrouwen werden dan weer de borsten afgehakt, omdat de Kelten nog niets wisten over de ovulatie en vrouwen niet in staat leken het leven door te geven. Zij ontvingen het zaad, dat door de mannen werd geproduceerd. De vrucht diende daarna gedragen te worden en gevoed aan de borst.
Regeneratie
Een zomeravond.
Zij zit aan het bed
van mijn zoon van zeven,
in het laatste licht van de dag,
al donker en dood.
'Alleen wat sterft, zal herleven,'
zucht en hinkt zij traag en treurig.
En de nacht valt
door de ruiten van de stille zolderkamer,
gevat in lood.
Patrick Bernauw Feed
Fetching RSS feed... please stand by






